Zeggen wat je doet, doen wat je zegt.

De Wageningse sbo-school De Dijk en organisatie voor jeugd- en opvoedhulp Youké werken samen aan een Onderwijs-Zorg Arrangement (OZA) voor kinderen in de leeftijd van 8 tot 11 jaar. Het gaat om kinderen met naar buiten gericht (externaliserend) gedrag. Dat gedrag doet zich niet alleen voor op school, maar ook in de vrije tijd en thuis in het gezin.

Projectleider Conny Wijnands: “De oorzaak voor dit gedrag kan zowel liggen in het kind zelf als in de omgeving. Vaak is het een combinatie van beide. Zeker is wel dat deze kinderen specifieke, intensieve ondersteuning nodig hebben bij het leren én bij hun gedrag.” Voor die specifieke ondersteuning hebben Youké en SBO-school de Dijk nu een speciaal Onderwijs-Zorg Arrangement ontwikkeld. Conny: “Het arrangement is gebaseerd op een arrangement voor de leeftijdsgroep 4- tot 7-jarigen dat we al vaker gebruiken. De Optimist methodiek, zoals deze genoemd wordt, is opgenomen in de Databank effectieve jeugdinterventies. Gedurende één jaar wordt het kind in een speciale onderwijs-zorg groep geplaatst op SBO school de Dijk. Die groep bestaat uit maximaal acht kinderen.” Esther Jobsen: “Als school wil je aansluiten op de onderwijsbehoeften, passend onderwijs voor alle leerlingen. Ondanks de setting van het SBO waarin wordt aangesloten op de specifieke onderwijsbehoeften van de leerlingen, heeft een aantal leerlingen baat bij een intensievere vorm van begeleiding. Een OZA biedt die mogelijkheid. Tijdens een heel schooljaar (5 dagen in de week, 40 schoolweken lang) wordt er op school gewerkt aan onderwijs én met een gespecialiseerde pedagogisch medewerker gericht gewerkt aan de behandeldoelen op gedrag. Daarbij wordt de doelstelling doorgetrokken naar thuis. Op deze wijze zit een leerling in een intensief ‘behandel-bad’. De doelstelling is dat de leerling gedrag aangeleerd krijgt waardoor hij/zij beter kan profiteren van het onderwijs en zich beter staande kan houden in de maatschappij. Ingesleten gedragspatronen die leiden tot ineffectief gedrag kunnen worden omgezet in effectieve gedragspatronen. Het levert voor het kind de mogelijkheid op om in zijn of haar verdere leven beter deel te kunnen nemen aan onderwijs en arbeid.”

Vergroten van competenties.
Susanne Klok, Coördinator Steunpunt Wageningen: “De kinderen die in deze klas zitten ondervinden dermate problemen met hun gedrag dat zij in een onderwijssetting onvoldoende kunnen profiteren van het onderwijs. Ze hebben vaak negatieve ervaringen opgedaan omdat ze druk zijn, omdat ze vooral hun eigen dingen willen doen en vaak moeite hebben hun impulsen te onderdrukken. Ze zijn bijvoorbeeld snel boos, schelden of vertonen agressief gedrag. Wij weten echter ook; de kinderen willen iets zeggen met hun gedrag, en het is aan ons hen te verstaan en een alternatief te bieden.” Conny: “Door hun gedrag krijgen de kinderen veel negatieve reacties vanuit hun omgeving, maar hun probleem is dat ze echt niet weten hoe ze het anders moeten aanpakken. Daarom is het belangrijk dat we de vaardigheden van kinderen, maar ook van hun ouders, vergroten. Dat kan bijvoorbeeld door taken te verlichten of door de invloed van omgevingsstressoren te verminderen. We stimuleren en belonen vooral positief gedrag. Zo leren we het kind hoe het een probleem anders, op een positieve manier kan oplossen. Door die positieve ervaringen neemt ook het zelfvertrouwen van het kind toe.”

Voor ieder kind worden er individuele doelen gesteld. Gedurende het jaar toetsen leerkracht en jeugdprofessional welke stappen het kind maakt en wat het nog moet leren. Naast de groepsleerkracht en jeugdhulpverlener worden ook de gezinsbegeleider, een gedragswetenschapper, een orthopedagoog en de intern begeleider van school bij de aanpak betrokken. Doel is altijd dat de gedragsproblemen aan het eind van het jaar zodanig zijn verminderd, dat kinderen kunnen profiteren van een klassensituatie en dat het kind weer terug kan stromen naar de onderwijssetting in het reguliere- of speciaal (basis)onderwijs.

Ouders en leerkracht stellen de hulpvraag!

Wil een kind in aanmerking komen voor het OZA-arrangement, dan moeten de ouders een hulpvraag stellen en bereid zijn om gesprekken over de opvoeding van hun kind te voeren. Ouders vragen ook zelf een beschikking aan bij de gemeente. Conny: “Het is belangrijk dat school én gezin samenwerken. Door de gedragsproblematiek zie je zowel op school als thuis handelingsverlegenheid. Om de ontwikkeling van het kind positief te beïnvloeden verwachten we een actieve bijdrage van de ouders. De gezinsbegeleider ondersteunt de ouders bij het positief en competentievergrotend opvoeden. Juist die samenwerking tussen school en ouders levert de beste resultaten op.” Susanne: “De kracht van deze methodiek is dat er rollen en taken zijn voor ouders, leerkracht en jeugdhulpverlener. Op deze manier wordt een kind in elke situatie op gelijke wijze behandeld waardoor het zich veilig en erkend voelt en gemotiveerd is om het aangeleerde positieve gedrag structureel in te zetten. De tevredenheid van de ouders over deze aanpak is heel hoog. Ze accepteren veel meer dat bepaald gedrag bij hun kind hoort. Ze zijn zich veel bewuster van hun eigen mogelijkheden om positief met dat gedrag om te gaan. Een zinnetje dat meer dan eens valt, is ‘ik snap mijn kind nu zoveel beter!’.”